Cornelis Lely Lezing 12 september 2018

Cornelis Lely Lezing – 12 september 2018

Minister Cora van Nieuwenhuizen

Beweging in de polder; besluitvorming over breed waterbeheer in de 21e eeuw

 Dames en heren,

Het is 28 mei 1932. Om 1 uur ’s middags wordt met een laatste worp aarde de Vlieter dichtgegooid. De Afsluitdijk is dicht. De provincies Noord-Holland en Friesland zijn voor het eerst in de geschiedenis door land verbonden. De fanfare zet in en fotografen verdringen elkaar. Op dat moment klost er een opgetogen jonge vrouw met opgetrokken rokken over de klei van de ene naar de andere provincie. De Amerikanen hebben Neil Armstrong, wij hebben Grietje Bosker.

Toen ik in december vorig jaar werd gevraagd voor deze lezing, hoefde ik niet lang na te denken. Ik wist dat we dit jaar 100 jaar Zuiderzeewet zouden vieren. Dat we het Afsluitdijk Wadden Center zouden openen. Dat de Marker Wadden voor publiek toegankelijk zouden worden. En dat de innovatieve versterking van de Houtribdijk nog volop bezig zou zijn.

In het IJsselmeergebied vind ik alle facetten van mijn rijk gevulde ministersportefeuille terug.

Ik dank het bestuur van de Stichting Cornelis Lely-lezing dan ook hartelijk voor de uitnodiging. Het is voor mij een eer en een groot plezier u vandaag te mogen toespreken.

100 jaar Zuiderzeewet. Een markant moment in de Nederlandse geschiedenis. Bepalend voor de vorm van het huidige Nederland. En vooral de verdienste van één man die zijn kwaliteit als zeer deskundig ingenieur koppelde aan een scherp politiek vernuft en een effectieve diplomatieke bestuursstijl: Cornelis Lely.

Op 14 juni dit jaar ontving ik het eerste exemplaar van een nieuwe, derde biografie over Lely. Hier vlakbij in museum Batavialand, in zijn nagebouwde werkkamer. Het is verleidelijk uit dit lezenswaardige boek te gaan vertellen en uitgebreid stil te staan bij zijn bijzondere carrière. Maar met een geschiedenisles zouden we Lely, die de blik steeds op de toekomst had gericht, tekort doen. Daarom wil ik graag met u vooruitkijken. Naar de komende honderd jaar. Naar de rol van het prachtige IJsselmeergebied voor ons land.

Hoe gaat ons land eruit zien? Hoe richten wij preventief waterveiligheidsbeleid in? Hoe profileren we ons op het gebied van watertechnologie? Welke stedelijke betekenis zien wij in de IJsselmeerpolders opkomen? Hoe richten we een adaptief besluitvormingsproces in? Welke kansen zien we voor het IJsselmeergebied bij al deze vraagstukken?

Toch eerst een heel korte terugblik.

Precies 100 jaar geleden werd besloten een nieuw stuk Nederland te creëren. In 1932 werd de Afsluitdijk voltooid. Kort daarna werd de Noordoostpolder drooggelegd. De Flevopolder volgde in twee delen enkele jaren later.

De plaatsing van deze IJsselmeerpolders is niet toevallig. Ze liggen op vruchtbare landbouwgrond. De visionair Lely had al in de zomer van 1887 met een loodsschokker verkenningstochten over de Zuiderzee uitgevoerd. Daarbij bracht hij in kaart waar de meest vruchtbare polders konden worden aangelegd.

Bij aanvang van de Eerste Wereldoorlog in 1914 woedde een landelijke hongersnood. Het maakte de vraag naar meer landbouwgrond pijnlijk duidelijk. En het was na de stormvloed van 1916 dat eindelijk de handen op elkaar gingen voor de indamming van de Zuiderzee. Bijna 30 jaar na de verkenningstochten van Cornelis Lely.

Inmiddels, honderd jaar na de Zuiderzeewet, staan we voor heel nieuwe vraagstukken.

Fysieke vraagstukken over de inrichting van een modern land als het onze. Over de behoeften van 17 miljoen mensen op een klein stukje kwetsbaar land onder sterk veranderende omstandigheden. 17 miljoen mensen die steeds beter geïnformeerd zijn en zich vertegenwoordigd willen zien in de besluitvorming.

Cornelis Lely groeide op tijdens de ‘IJzeren Eeuw’, de laat op gang gekomen industriële revolutie in Nederland. De nieuwe technologie deed zijn intrede en daarmee werden vele nieuwe mogelijkheden geïntroduceerd. Hij was zich daar zeer van bewust, en maakte er maximaal gebruik van.

‘De 19e eeuw stelt zwaarder eischen aan alle ondernemers in het groot dan vroegere tijden; de geest moet kloeker, het oordeel scherper, de blik ruimer zijn dan voorheen,’

aldus staatsman Nicolaas Pierson in 1905. Een profiel dat Lely past als een handschoen. Maar ook een goed devies voor de 21ste eeuw, lijkt me.

Ook nu zitten we midden in een revolutie. Een digitale dit keer. Niemand die ons precies kan zeggen waar we over 100 jaar staan. Noch qua technologische mogelijkheden, noch qua klimatologische omstandigheden. Daarom kijken we zo goed mogelijk vooruit maar richten we het besluitvormingsproces voor ons waterbeheer flexibel in.

Wat betekent dat voor de toekomst van Nederland, IJsselmeergebied en polders?

De robuuste kustverdediging blijft een basisvoorwaarde. Maar daarnaast verandert de inrichting van ons land in hoog tempo. We stellen meer eisen aan onze infrastructuur. Onze economie en energiewinning krijgen andere vormen. We denken anders na over onze woonomgeving. Het uiterlijk van ons land verandert. De ruimtelijke kwaliteit van het IJsselmeergebied is daarmee in een nieuw perspectief komen te staan, ten opzichte van 100 jaar geleden.

De invalshoek is ook veranderd: we vechten niet langer tegen de natuur. We werken ermee samen. Onze waterwerken hebben de omstandigheden in veel Nederlandse natuurgebieden ingrijpend veranderd. In een aantal gevallen is het ecosysteem verschraald. Dat gaan we herstellen. Collega minister Carola Schouten en ik hebben stevige ambities voor de grote wateren van Nederland opgesteld. Daarin laten we klimaatbestendige waternatuur samengaan met een krachtige economie.

Bij alle opgaven voor het IJsselmeergebied komt dat terug: we werken met een gebiedsvisie waarin ecologische belangen hand in hand gaan met energiewinning, veiligheid, drinkwatervoorziening en een aantrekkelijk woonklimaat. Waarin we het leefgebied van onze eigen ‘Big five’ – de snoek, de paling, de zeearend, de otter en de grote karekiet – respecteren en vormgeven.

Want het combineren van belangen, doelen en maatregelen, dat is de rode draad van het beleid. Ik geef een paar voorbeelden:

  • De Oostvaardersplassen zijn spontaan ontstaan, maar inmiddels uitgegroeid tot een markant natuurgebied met internationale allure op ons jongste stuk land. We koesteren dit waardevolle gebied, waar oorspronkelijk een industriële bestemming voor was bedacht.
  • Met de vismigratierivier in de Afsluitdijk helpen we het ecosysteem onderwater en helpen we de visserij.
  • Afgelopen zaterdag, 8 september, zijn de Markerwadden officieel geopend voor publiek. Met dit project werken we aan een nieuw ecologisch evenwicht, aan een gezonder onderwaterleven. We herstellen er de natuur mee. En we geven een antwoord op de maatschappelijke vraag naar de betekenis van het gebied. Naar een aantrekkelijk woon- en vestigingsklimaat. Want Nederland verstedelijkt en de vraag om natuur wordt daarmee urgenter.

Cornelis Lely had een ingepolderde Markerwaard voor ogen. Met de gewonnen landbouwgrond zou Nederland zich nog meer een internationale graanschuur kunnen noemen. Meer nog dan met de Noordoostpolder en de Flevopolder al het geval was.

Nu, honderd jaar later, liggen de kaarten anders. De verstedelijking van Nederland neemt toe, vooral rondom het ‘Blauwe Hart’. De behoefte aan natuur, een plek om te recreëren, stilte te vinden en een donkere nacht te ervaren is enorm toegenomen. En de nationale regenton is deze zomer van levensbelang gebleken. Letterlijk.

Daarom hebben we in het regeerakkoord zoals u weet € 95 miljoen uitgetrokken voor de verbetering van de ecologische kwaliteit van de grote wateren. € 1 miljoen daarvan gaat naar het onderzoek hoe we de Oostvaardersplassen in verbinding kunnen brengen met het Markermeer. Met mogelijk een hoog rendement. We zouden dan open water kunnen verbinden met een paar duizend hectare voedselrijke wetlands met duizenden hectares ondiepe, voedselrijke plassen en rietzones.

Maar ‘first things first’: preventief waterbeheer.

Droge voeten èn voldoende zoetwater, dat zijn primaire levensbehoeften. Met het nieuwe Deltaprogramma werken we toe naar zo goed mogelijk gegarandeerde waterveiligheid en zoetwatervoorziening voor deze eeuw. Ook als de zeespiegel met een meter stijgt. Jaarlijks zetten we 12 miljoen kuub zand tegen de Noordzeekust. De zee zorgt voor de verdeling over de kustlijn. Samenwerken met de natuur. Want als we één ding geleerd hebben, dan is het wel dat we processen moeten omkeren: éérst de analyse, dan de preventieve maatregel, dan het natuurgeweld.

En dat natuurgeweld komt niet alleen uit alle windstreken, rivieren en vanaf zee, maar ook uit de lucht, recht naar beneden. Soms in extreme hoeveelheden tegelijk en zeer lokaal.

We hebben in Nederland onze kustverdediging goed op orde. Met de Deltawerken als visitekaartje. Dat is mooi, daar mogen we trots op zijn, maar het is ook een kwestie van doen wat we moeten doen. En, het is niet het hele verhaal.

Want water is niet iets om alleen buiten de deur te houden. We drinken het ook graag. En in onze kleine delta drinken we het schoonste en het lekkerste kraanwater. Zonder chloor. Dat is bijzonder. En het gaat niet vanzelf. Want de grote rivieren leveren ons niet het schoonste water, en het oppervlaktewater achter onze dijken en duinen verzilt langzaam maar gestaag.

 

 

Ook voor schoon drinkwater geldt dat de analyse en de maatregelen voorop moeten gaan. Want de mondiale uitdagingen zijn groot. Kwaliteit van oppervlaktewater, waterzuivering, waterschaarste, droogte, het vereist permanente aandacht. Deze zomer zijn we met onze zongebruinde neuzen op de bloedhete feiten gedrukt.

Door de lage waterpeilen en de hoge verdamping ligt het risico van verzilting op de loer. Dat raakt vooral het IJsselmeer. Gelukkig zijn we goed voorbereid op perioden van wateroverlast, én watertekort. De Landelijke Commissie Waterverdeling heeft samen met drinkwaterbedrijven én provincies, het KNMI én Rijkswaterstaat hard gewerkt om ervoor te zorgen wij ondanks de droogte nog steeds goed en ruim voldoende drinkwater kunnen drinken.

Watertechnologie is een enigszins verborgen parel van onze innovatieve industrie. We hebben kassen die hun eigen water zuiveren, desinfecteren en opnieuw gebruiken. Papierfabrieken, zoals in Eerbeek met een duurzaam water- en energieprogramma waarmee 700.000 kuub grondwater per jaar wordt bespaard, en 5.000 ton minder CO2 de lucht ingaat. In de Nederlandse watertechnologiesector gaat 8 miljard euro per jaar om. En er ligt nog heel veel potentie als we meer slimme coalities smeden van kennisinstellingen, ondernemers en overheid. Het 6e duurzaamheidsontwikkelingsdoel – goed scrabblewoord – van de Verenigde Naties is schoon drinkwater en sanitair voor iedereen: een grote kans voor het Nederlands bedrijfsleven internationaal. Het Planbureau voor de Leefomgeving heeft onlangs een hotspotanalyse gepubliceerd. Daaruit zijn risicogebieden met betrekking tot waterschaarste in kaart gebracht. Conclusie: de vraag om technologie én maatregelen wordt alleen maar groter. Integraal watermanagement betekent niet alleen schoon water. Het betekent ook goede waterleidingen, minder plastic flessen, betere volksgezondheid, en oog voor ecologische belangen. Waterzuiveringstechnologie past dus in de circulaire gedachte, waarin we het produceren van schoon drinkwater, afvalverwerking en grondstoffenwinning bij elkaar brengen.

Het zijn grote kansen voor een vitale lokale economie in de provincie Flevoland.

En niet alleen watertechnologie, maar ook duurzame energievoorzieningen kunnen hier ontwikkeld worden. Windenergie is hier ruimschoots aanwezig. Maar de molens waarmee we de wind vangen zijn erg beeldbepalend. En daarmee staan ze soms op gespannen voet met onze ideeën over een aantrekkelijke woonomgeving. Het doorontwikkelen van innovaties als thermische energie en zonne-energie ligt hier net zo voor de hand: de omstandigheden zijn ideaal.

Er lopen al pilots om de landbouwwaterhuishouding en natuur slimmer te verbinden.

Flevoland is een zeer strategisch gelegen provincie (11). Centraal gelegen in het land, met de A6 die de randstad met het noorden verbindt. Met jachthavens en een containerterminal. En met een luchthaven met veel potentieel. Niet alleen liggen nog veel kansen in Lelystad Airport, ook het luchtvaartinnovatiecentrum van NL-R in Marknesse is een brandpunt van Flevolandse innovatiekracht.

Hier, op dit Nieuwe Land, worden nieuwe oplossingen bedacht voor nieuwe vraagstukken in een nieuwe tijd.

Want, nog maar eens: de nieuwe tijd vráágt om nieuwe antwoorden.

Klimaat, verstedelijking, bevolkingsgroei, mondiale welvaartsgroei, stijging van de zeespiegel. De ontwikkelingen van veel factoren zijn deels voorspelbaar, maar laten zich niet met zekerheid over lange termijn uittekenen.

De technologische ontwikkelingen zorgen er bovendien voor dat mensen zich anders organiseren, zichzelf mobiliseren en nieuwe coalities vormen rondom specifieke belangen. Dat heeft gevolgen voor het openbaar bestuur. Het eigenaarschap van publieke vraagstukken ligt allang niet meer bij de overheid alleen. Ik wil hiermee zeggen dat we niet alleen robuuste en flexibele antwoorden op klimatologische en geografische veranderingen moeten hebben, maar dat we ook de besluitvormingsprocessen om tot die antwoorden te komen anders moeten inrichten.

Het programma Ons Water is daar ook een voorbeeld van. Daarin hebben de partners in het Bestuursakkoord Water de handen ineengeslagen om het waterbewustzijn van Nederlanders te versterken. Niet door te vertellen hoe het zit, maar door actief burgerschap te faciliteren. Door gebruik te maken van de kennis die we samen hebben. We hebben steeds vaker te maken met extreme weerbeelden. Het afgelopen voorjaar en deze zomer behoren tot de warmste en droogste ooit gemeten. Hoe garanderen wij ons aanpassingsvermogen op gebied van waterkwaliteit? Hoe gaan we dan de verzilting van landbouwgrond tegen?

Als wij over 30 jaar het klimaat van Bordeaux hebben – niet allemaal gaan juichen nu – dan gaat ons land er echt anders uitzien.

Klimaatverandering is niet alleen een Nederlands probleem. Het wordt wereldwijd gevoeld. Maar naar mijn gevoel nog steeds te weinig onderkend. Daarom heb ik een initiatief genomen. Op 16 oktober aanstaande gaat de Global Commission on Adaptation van start, onder leiding van Ban Ki-Moon, Bill Gates en Kristalina Georgieva, de CEO van de Wereldbank. Drie grote namen als voortrekkers van een mondiale campagne om de urgentie van klimaatadaptatie een gezicht te geven.

Snel veranderende omstandigheden vragen om een flexibel, adaptief besluitvormingsproces.

Op 14 juni dit jaar werd het Nieuwe Peilbesluit van kracht. Ik mocht het ondertekenen aan het originele bureau van Cornelis Lely, nu opgesteld, hier in Batavialand. Dat stemde mij overigens wel even bescheiden: plaatsnemen achter de werktafel van de grootste vormgever van Nederland uit de geschiedenis.

Met dat nieuwe Peilbesluit hebben we een flexibel IJsselmeerpeil geïntroduceerd, waarmee sneller op de steeds veranderende en extremere situaties kan worden gereageerd. Of vooruitgelopen. Gezamenlijke besluitvorming door decentrale overheden, alle relevante organisaties, en het Rijk. Vooruitdenken op basis van adaptatievermogen, dat is wat we met het Deltaprogramma doen.

En dat is ook hoe de Agenda IJsselmeergebied die we 17 mei tekenden in Enkhuizen, tot stand kwam. 60 partijen, 60 verschillende belangen, één agenda, met één gezamenlijk doel voor ogen. De kern van het verhaal: krachten bundelen voor het Blauwe Hart.

Grote Deltawerken bouw je voor de lange termijn. Een basisinfrastructuur die in alle voorzienbare scenario’s de eerste voorwaarden garandeert: droge voeten, schoon drinkwater en een gezond ecosysteem. Een robuuste basis dus, met daarnaast een flexibel besluitvormingsproces. Daarmee kunnen veranderende omstandigheden – steeds opnieuw – in passend beleid en concrete maatregelen worden vertaald.

Alle relevante belangen worden in de besluitvorming betrokken. En maatregelen dienen zoveel mogelijk belangen tegelijk. Dat noopt tot een decentraal besluitvormingsproces, dicht op de plaats delict om het maar zo te zeggen. Daar waar de belangen het meeste spelen. Alle stemmen zijn vertegenwoordigd: natuurorganisaties, waterschappen, waterbedrijven, visserij, energiebedrijven, burgerinitiatieven, overheden. En ik hecht eraan dat hierbij ook de jongere generaties aan tafel zitten!

Dames, heren, u woont en werkt hier in een heel bijzonder en mooi stuk Nederland.

Frits Palmboom zegt, ik citeer:

“Het belang van de ruimtelijke kwaliteit van het metropolitane landschap neemt toe, naarmate de concurrentie op sociaal, economisch en fiscaal vlak is uitgewoed. Het IJsselmeer gebied kan in de toekomst een sleutelrol vervullen als woongebied om de druk op de grote steden van Nederland verlichten. Waterlandschappen kennen wereldwijd veel successen, zoals Vancouver, San Francisco, Stockholm, Venetië. Kan het IJsselmeergebied zich hiermee meten?”[1]

Dit is een terechte vraag. En ik ben geneigd hem met ja te beantwoorden. Met de stedelijke context, het welvaartsniveau, de landelijke en regionale economie, en de infrastructuur behoort het IJsselmeergebied naar mijn idee tot een van de aantrekkelijkste woongebieden ter wereld. Corrigeert u me maar als u het daarmee niet eens bent.

Het IJsselmeergebied is een blauw hart in het midden van een metropoolregio. Een essentiële zoetwatervoorziening voor de regionale economie. En zoals Frits Palmboom opmerkt, een cruciaal onderdeel voor de lokale aantrekkingskracht als woongebied. Want je zal het maar hebben, zo’n binnenzee voor de deur. In 2015 werd hier, tijdens de Cornelis Lely-lezing de vraag gesteld of Lelystad en Almere onderdeel uitmaken van de metropoolregio Amsterdam. De referent, de heer Anne Joustra, secretaris-directeur van de Stadsregio Amsterdam concludeerde bevestigend. En ik sluit mij daarbij aan. De nieuwe woonkernen Lelystad en Almere winnen aan populariteit en dat is terecht.

De kansen voor juist deze regio zijn groot. Groene energie, watertechnologie, landbouw, scheepvaart, recreatie en toerisme. Flevoland is niet alleen een aantrekkelijk woongebied, maar heeft ook een uitstekend economisch vestigingsklimaat. Mijn pleidooi is om alle mogelijkheden die de polder geeft in hun onderlinge samenhang en balans uit te werken.

  1. Het waait hier. Dat is goed voor iedereen die hier met een zeilboot naartoe wil, en voor iedereen die een windmolen exploiteert. Maar het water biedt ook alternatieve kansen voor energiewinning, zoals thermische energie uit oppervlaktewater, energieopslag, en zonne-energie. Het is belangrijk die innovatieve toepassingen uit te werken en een plaats in de lokale economie te geven.
  2. Land- en akkerbouw blijft een essentiële activiteit voor de vruchtbare bodem die Cornelis Lely voor ons ontwierp. Het past ook in de circulaire gedachte om deze activiteiten dichtbij onze woonkernen te organiseren. Water voor bevloeiing is er altijd. Ook in droge zomers. Deze provincie kan daarbij de proeftuin zijn voor nieuwe technieken om landbouwwaterhuishouding en natuurontwikkeling te combineren.
  3. Het borgen van de waterkwaliteit vraagt om nieuwe innovatieve oplossingen. De voormalige Zuiderzeebodem blijft zilt en vergt aandacht en maatregelen. Watertechnologie is een grote economische kans. We lopen er wereldwijd mee voorop. Het IJsselmeergebied biedt daarvoor, naast Texel en de Wieringermeerpolder, een uitstekend experimenteerklimaat.
  4. En hoewel de elektrificatie van de scheepvaart nog in de kinderschoenen staat, gaat het om een belangrijke mogelijkheid voor duurzaam transport. Vooral de schaal maakt het efficiënt. Met de nieuwe containerterminal, de Flevokusthaven heeft Lelystad een heel strategische zet gedaan. Net als Urk trouwens. Scheepvaart vanuit Scandinavië kan daarmee rechtstreeks op de polder varen. Nautische economie. Het past bij de polder.

Dames en heren,

In 1913 werd Cornelis Lely voor de derde keer gevraagd minister van waterstaat te worden. Hij schrijft erover aan zijn zoon en schoondochter in Indië:

“Eén ding is echter zeker, dat ik stellig alleen dan bereid zoude zijn, indien ik het groote plan der Zuiderzee aan de orde zou kunnen stellen. Mocht dat niet het geval zijn, dan blijf ik maar rustig Eerste Kamerlid en Wethouder.”

Het vervolg is bekend.

Ik vraag me wel eens af wat hij zou denken als hij hier nu op de dijk zou staan en om zich heen zou kijken. Hij zou allicht opspringen van begeestering, en geboeid vaststellen dat er zoveel nieuwe technologie bijgekomen is. Hij zou even aan de boord van zijn hagelwitte overhemd trekken en één knoopje openen. Daarna zou hij informeren naar de weersomstandigheden. Of het hier altijd zo heet is. En misschien zou hij verontrust constateren dat ijs in de winter zeldzaam is geworden. Want hij was behalve een groot staatsman en een toegewijde vader, ook een fervent schaatser.

Dank u wel.
[1] p. 201 IJsselmeergebied, een ruimtelijk perspectief, Frits Palmboom 2018).